
Psalmen 61
De Heilige Schrift 1917
Hoofdstukoverzicht
Psalm 61 draagt een zwakke roep van de einden der aarde naar een toevlucht voorbij menselijk bereik. De psalmist vraagt om schuilplaats, herinnert een veilige erfenis, en belooft blijvende lof onder Gods trouwe bescherming.
ToevluchtGebedBeschermingTrouw
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. (61:2) O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.
2(61:3) Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.
3(61:4) Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand.
4(61:5) Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.
5(61:6) Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
6(61:7) Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;
7(61:8) Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden.
8(61:9) Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.
De Heilige Schrift 1917 — Public Domain. Where these translations come from.