A hunted man prays inside a cave as pursuers pass and friends approach along a sunlit path

Psalmen 142

De Heilige Schrift 1917
Hoofdstukoverzicht
Psalm 142 giet een eerlijke klacht uit van isolatie, gevaar en schijnbare verlating. Zonder zichtbare menselijke toevlucht noemt het grotgebed God zijn deel en anticipeert bevrijding tot een dankbare gemeenschap.
IsolatieToevluchtKlachtRedding
1Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was. (142:2) Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.
2(142:3) Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
3(142:4) Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.
4(142:5) Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.
5(142:6) Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.
6(142:7) Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik.
7(142:8) Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben.

De Heilige Schrift 1917 — Public Domain. Where these translations come from.