An elder shows healed scars to younger listeners beside cut ropes as former oppressors leave

Psalmen 129

De Heilige Schrift 1917
Hoofdstukoverzicht
Psalm 129 herinnert herhaalde onderdrukking vanaf Israëls jeugd zonder het het laatste woord te geven. Diepe wonden blijven zichtbaar, maar bindende koorden worden doorgesneden en uitbuiters worden zo tijdelijk als schraal dakgras.
VerdrukkingOverlevingGerechtigheidVrijheid
1Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;
2Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.
3Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.
4De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.
5Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.
6Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;
7Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;
8En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.

De Heilige Schrift 1917 — Public Domain. Where these translations come from.