A vast crocodilian Leviathan surfacing in storm-lit water beyond distant people

Job 41

De Heilige Schrift 1917
Hoofdstukoverzicht
God beschrijft Leviathan uitvoerig. Geen haak trekt hem eruit, geen overeenkomst temt hem, zijn rijen schubben zijn stevig gesloten als een zegel, licht flitst uit zijn gesnuif, en ijzer is voor hem als stro. Als niemand fel genoeg is om hem op te wekken, vraagt God, wie zou dan voor zijn Maker kunnen staan en verantwoording eisen?
LeviathanGeschapen machtMenselijke grenzenGoddelijke wijsheid
1(40:20) Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?
2(40:21) Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?
3(40:22) Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?
4(40:23) Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?
5(40:24) Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters?
6(40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?
7(40:26) Zult gij zijn huis met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd?
8(40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer.
9(40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?
10(41:1) Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
11(41:2) Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
12(41:3) Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
13(41:4) Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?
14(41:5) Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
15(41:6) Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.
16(41:7) Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
17(41:8) Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
18(41:9) Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
19(41:10) Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
20(41:11) Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedenden pot en ruimen ketel.
21(41:12) Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.
22(41:13) In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
23(41:14) De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.
24(41:15) Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
25(41:16) Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
26(41:17) Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.
27(41:18) Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
28(41:19) De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
29(41:20) De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
30(41:21) Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
31(41:22) Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
32(41:23) Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
33(41:24) Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.
34(41:25) Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
‹ Job 40Job 42 ›

De Heilige Schrift 1917 — Public Domain. Where these translations come from.