
Jeremia 45
De Heilige Schrift 1917
Hoofdstukoverzicht
Baruch betreurt het verdriet en de uitputting die hij draagt terwijl hij Jeremia's woorden opschrijft. God herinnert hem dat het hele land een omwenteling tegemoet gaat, zegt hem geen grootheid voor zichzelf te zoeken, en belooft dat waar hij ook gaat zijn leven bewaard zal blijven.
BaruchNederigheidVermoeidheidBehoud
1Het woord, dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, den zoon van Nerija, als hij die woorden uit den mond van Jeremia in een boek schreef, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, zeggende:
2Alzo zegt de HEERE, de God Israels, van u, o Baruch!
3Gij zegt: Wee nu mij, want de HEERE heeft droefenis tot mijn smart gedaan; ik ben moede van mijn zuchten, en vind geen rust!
4Zo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, dat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit ganse land.
5En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie, Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt de HEERE; maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar gij zult henentrekken.
De Heilige Schrift 1917 — Public Domain. Where these translations come from.